Zenc Blog
Een professionele professional begint bij zichzelf
‘Meer ruimte voor professionals’ is een veelgehoord credo in de Nederlandse publieke sector. Het zou een eind kunnen maken aan de doorgeschoten bureaucratie, de beroepseer weer terug kunnen brengen en de effectiviteit een flinke zet geven. Dat kan echter alleen maar als de professional niet lijdzaam afwacht, maar zelf het initiatief neemt om zichzelf en zijn organisatie te verbeteren.
Vroeger was de term ‘professional’ voorbehouden aan een paar klassieke, vrije beroepen. De arts, de notaris en de advocaat tooiden zich in stilte met deze titel. Het predikaat onderstreepte autonomie, die werd verdiend door over exclusieve kennis en ervaring te beschikken. De professional was iemand die trouw was aan zijn vak en die dat vaak alleen of met enkele assistenten beoefende. De professional zag zelf al zijn klanten. De organisatie waarvoor hij werkzaam was? Zichzelf – zzp’ers avant-la-lettre.
De laatste decennia hebben ook andere beroepsgroepen begeerlijk gekeken naar het stoere label. Professional klinkt toch een stuk beter dan medewerker? Docenten zijn ‘onderwijsprofessionals’, vakbonden komen op voor ‘professionals in de zorg’, net achter de balie van de sociale dienst zit een ‘reïntegratieprofessional’. De zelfgekroonde professionals hebben goed gezien dat hun werk steeds meer kenmerken bevat van dat van de klassieke professional. Maar het is niet hetzelfde.
De ‘nieuwe’ professional werkt vrijwel altijd voor een organisatie. In de publieke sector zijn die organisaties onderworpen aan democratische controle. Dat brengt allerlei spanningen met zich mee die voor klassieke professionals veel minder gelden. Agenten besteden soms meer tijd achter het bureau dan op straat, want ze moeten niet alleen zichtbaar zijn, maar ook hun bijdrage leveren aan goede statistieken over het aantal geweldsmisdrijven. Docenten moeten zich eerst en vooral richten op het geven van degelijk doch inspirerend onderwijs. Dat ontslaat hen echter niet van de verplichting de gescheiden ouders afzonderlijk bij te praten, een paar casussen aan te dragen bij het zorgadviesteam en tekst en uitleg te geven over weggelopen kinderen op schoolreisje. De opsomming dreigt cynisch te worden, maar de eisen en verwachtingen van de maatschappij zijn vaak goed verklaarbaar.
De nieuwe professional staat van twee kanten onder druk. Aan de ene kant wordt hij geacht een professional te zijn in de klassieke zin van het woord. Het is iemand die wordt geacht te excelleren in zijn vak, alles te doen voor een goed resultaat, knopen door te hakken als het nodig is en daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Wie anders dan de professional kan inschatten wat het beste is in een complexe situatie? Aan de andere kant is hij werknemer van een publieke organisatie. Dat creëert, in organisatiekundige termen, machinebureaucratische elementen. Omwille van verantwoording en budgetbeheersing wordt een heel controle-instrumentarium uit de kast gehaald om het werk van de professional te sturen. Verplichte rapportages, normtijden, financiële targets en dikke proceshandboeken zijn daar voorbeelden van. In een machinebureaucratie worden moeilijke problemen doorgeschoven naar boven. Komen twee specialisten er niet uit? Dan moet een managende generalist het probleem maar oplossen.
De eisen van professionaliteit en de machinebureaucratie zijn vaak tegenstrijdig. Volgens de bureaucraat zijn regels regels en worden mensen gelijk behandeld. Volgens de professional zijn regels niet meer dan gestolde kennis en bestaan gelijke gevallen niet. De financieel directeur eist een beperking van de kosten, maar een professional is loyaal aan zijn klant en bestelt het beste-van-het-beste.
Het is geen wonder dat de moderne professional het moeilijk heeft. Kan hij het eigenlijk wel goed doen? In het maatschappelijke debat over professionals wordt vaak teruggegrepen op de klassieke professional. De managers en bureaucraten, de verantwoordingsdruk vanuit de politiek en de beperkte budgetten van de belastingbetaler – alle uitingen van de publieke bureaucratie krijgen ervan langs. Professionals zouden ‘de ruimte’ moeten krijgen, en dan kunnen we weer rustig gaan slapen. Dat is echter een illusie.
Van een professional in het publieke domein mag verwacht worden dat hij rekening houdt met anderen dan zijn klanten of zichzelf. De hulpverlener die coûte-que-coûte de duurste behandeling wil inzetten, is geen held, maar speelt voor eigen rechter en geeft geld uit dat niet besteed kan worden aan andere patiënten, aan beter onderwijs of aan het voorkomen van de ziekte. En als hij er een bende van maakt of zijn vak niet meer beheerst, is het niet meer dan logisch dat de organisatie waarvoor hij werkt maatregelen neemt.
Het is ook in het belang van de professional om rekening te houden met de belangen van de organisatie. Hij heeft de organisatie immers zelf ook nodig. In een goed werkende organisatie hoeft hij weinig tijd te besteden aan allerlei ondersteunende zaken, versterken collega’s elkaar, kan worden voortgebouwd op de goede naam van de instelling en wordt bij ziekte vervanging geregeld. De nieuwe professionals zouden slechts met moeite als zelfstandige zonder personeel kunnen functioneren.
Als we echt ‘professionele professionals’ willen, wordt het tijd dat de professional niet vraagt om ruimte, maar ruimte pakt. Hij begint bij zichzelf, door zijn vak tot in de puntjes te willen beheersen. Hij doet alles voor het resultaat; niet door zich terug te trekken op zijn eigen terp, maar door binnen de grenzen van het haalbare en in samenwerking met andere professionals verstandige keuzes te maken. Hij kan en wil zich verantwoorden, niet als schrijver van te archiveren rapporten, maar in een gesprek met klanten, andere professionals en de organisatie. En hij ‘gebruikt’ de regels. De noodzakelijke administratie handelt hij efficiënt af, tegen onnodige dingen maakt hij bezwaar. Hij vraagt de organisatie om hem te helpen in zijn werk, maar overvraagt niet.
Een professionele professional begint bij zichzelf.
Dit artikel verscheen eerder in Het Kind Eerst, 2(5) en op www.tonmonasso.nl. Het artikel is mede gebaseerd op het essay “De professionele professional – de andere kant van het debat over ruimte voor professionals” van Arre Zuurmond, Jorrit de Jong, Ton Monasso en anderen.

